Verslag

Rens van de Plas

Architectuur & ambitie

CAST&co

Op grote hoogte, op de bovenste verdieping van het Tilburgse stadhuis, werd op 25 mei weer een bijeenkomst van CAST&co georganiseerd. Het onderwerp was dit keer de Tilburgse ambities op het gebied van architectuur. De discussie daarover is tenslotte urgenter dan ooit, zeker na een reeks verhalen over architectuur in het Brabants Dagblad, waarin onder meer wethouder Bas van der Pol pleit voor meer lef, bravoure een aanmoediging op architectonisch terrein.

“Voor mij is de stad in ontwikkeling. Daar hoort steeds een nieuwe ambitie bij. Ik ben blij met wat er gelukt is en ik sta stil bij wat we nog meer kunnen ambiëren. Tijdloze kwaliteit: dat is onze ambitie”, zegt Van der Pol tegen een zaal met ambtenaren, architecten, stedenbouwers en andere geïnteresseerden. “Ik zag vandaag dat we de stad met de laagste inkomens van Brabant zijn. We moeten keihard werken om het goed te blijven doen.”

Niet alleen gebouwen

Belangrijk daarbij is dat we goed afkaderen waar het precies om gaat, denkt Van der Pol. “’Architectuur’ is een woord dat vaak tot misverstanden leidt. Het gaat mij om de omgevingskwaliteit en architectuur is daar een belangrijke factor in. Als je over architectuur spreekt, gaat het over de totale omgeving. Maar het wil ook nog weleens verengd worden tot de gevel. We willen het niet alleen over gebouwen hebben, maar ook openbare ruimte, stedenbouw en erfgoed.”

Voor belangrijke plekken in de stad gebruikt hij graag de term ‘sleutellocaties’. “Er zijn plekken in de stad die om een antwoord vragen. Je moet die in de basis goed ontwerpen. Er is soms kritiek op bakstenen torens, maar die vind ik onterecht: die zijn vaak heel passend op de plek waar ze staan. In Kopenhagen hebben ze een architectuurbeleid waarin die sleutellocaties benoemd worden. Dat vond ik inspirerend.” In Tilburg zijn natuurlijk het Museumkwartier en de Piushaven, maar ook het Stappegoor, hele kenmerkende sleutellocaties. “Het Museumkwartier is het tafelzilver van Tilburg. Het is de plek waar Tilburg, toen de stad zich opnieuw moest uitvinden, talenten aan het werk zette. Bij het Stappegoor gaan we veel woningen toevoegen, maar daar zijn ook veel supermarkten en ontmoetingsplekken. Er komt veel meer samen op zulke plekken. Daar proberen we lenig in te blijven.” Wat de persoonlijke bijdrage van de wethouder is, is voor hem zelf overigens niet zo relevant. “Het is het tijdsgewricht dat herinnerd moet worden. De stad moet herkend worden om haar ambitie en die ambitie moet oorspronkelijk zijn. Dat mensen de energiehebben gevonden om samen de schouders eronder te zetten”, aldus Van der Pol.

Bouw- en ontwerpcultuur

De uitwerking van de plannen van het college en de wethouder ligt bij Mark Schouten, teammanager stedelijke ontwikkeling bij de gemeente Tilburg. “Bas heeft zijn ambitie neergelegd en wij hebben dat omarmd. Daar gaan wij mee aan de slag. In het coalitieakkoord is duidelijk gesteld dat we niet alleen klimaatadaptief en duurzaam willen bouwen, maar dat we de woningbouwopgave ook met kwaliteit willen doen.” 

Op 27 en 29 juni zijn er twee inspiratiesessies waar Schouten het een en ander hoopt op te halen voor een uitvoeringsplan omgevingskwaliteit waar hij en zijn team aan werken. “Het is heel interessant om te bespreken wat we precies verstaan onder omgevingskwaliteit. Uiteindelijk zou het mooi zijn als we ons instrumentarium weten te verrijken. We willen de bouw- en ontwerpcultuur in Tilburg beter neerzetten. Wat heb je dan nodig?”, vraagt Schouten zich hardop af.

Hij wil daarvoor alvast oproepen om meer bij elkaar over de schutting te kijken. “Voor mij is het fijn om wat kennis in huis te hebben. We hebben hele ervaren mensen in het team en op de afdeling. Uiteindelijk denk ik dat we, met dit soort sessies, dat gesprek veel meer met elkaar moeten voeren en daar moeten we allebei een rol in vervullen,” roept Schouten de aanwezige architecten, bouwkundigen en projectontwikkelaars op.

De stad kan hoe dan ook een beter beleid op het gebied van architectuur gebruiken, denkt Bas van der Pol. “Vlaanderen heeft stevig beleid en de Scandinaviërs hebben het goed voor elkaar. Het is niet nieuw, maar wij hebben het de laatste dertig jaar niet meer gedaan. Ik vind dat een gemis. De opgaven zijn zo groot; als je die nu niet met kwaliteit uitvoert ga je later erkennen dat we er een puinhoop van hebben gemaakt.”

Reacties uit de zaal zijn er volop. Een architect uit de zaal uit zijn complimenten dat het onderwerp omgevingskwaliteit op de agenda komt. “Graag zelfs. Kwaliteit is een begrip, daar kunnen we maanden mee volpraten, maar het woord komt telkens weer ter sprake. Ik denk dat het heel boeiend is om uit te zoeken hoe we dat moeilijke begrip handen en voeten kunnen geven en wat we precies gaan borgen.”

Frans van den Boomen van BPD Gebiedsontwikkeling denkt dat een beleid ook voor marktpartijen van meerwaarde kan zijn. “Dan weet je waar je aan toe bent en waar je op moet sturen. Een aandachtspunt vind ik dat je moet kiezen voor bepaalde plekken. Je moet niet overal stapelen, maar hele bewuste keuzes maken. Anders is de stad in een keer overal hetzelfde en heb je geen diversiteit meer.”

Flexibele plattegronden

Wat is dan de kwaliteit waar we naar moeten streven? Volgens Thomas Bedaux van Bedaux De Brouwer Architecten moeten we in elk geval altijd rekening houden met de toekomstbestendigheid van gebouwen. “Het is belangrijk dat gebouwen de tand des tijds kunnen weerstaan. Hoe blijven gebouwen goed door de tijd heen? Dat kan bijvoorbeeld door flexibele plattegronden te maken.”

Noud Derks, voorzitter van CAST, doet ook een duit in het zakje. “Het succes van het Spoorpark is niet dat we allerlei functies hebben toegevoegd, maar gewoon het blote feit dat het groen in de stad is. Dat verklaart de populariteit en dat zegt wel iets over hoe belangrijk groen is bij omgevingskwaliteit. Het pleintje achter het Stadskantoor vind ik fantastisch: een voorbeeld voor hoe het elders in de stad ook zou mogen.”

Er ligt ook een opgave in het bereiken van mensen die niet op deze bijeenkomst aanwezig zijn, denkt stedenbouwkundige Marc Olthuis. “Je hoeft maar in de stad te kijken om te weten welke plekken niet die omgevingskwaliteit hebben. Die plekken zijn ook door vakgenoten ontwikkeld die hetzelfde doen als wij, maar die er ook geld mee willen verdienen en die het niet zo interessant vinden hoe iets eruit ziet. Er zijn best veel projecten aan te wijzen die niet per se die kwaliteit hebben, zoals de hoek Noordhoekring-Spoorlaan.”

Voor een goede omgevingskwaliteit is ook de input van jonge mensen belangrijk. Jonge ontwerpers, bijvoorbeeld. “Wij betrekken jonge mensen bij onze opgaven. Regelmatig kijken we met wie we onze kennis en know-how kunnen delen. Bij de Willem II Kazerne vallen twee bureaus onder onze verantwoordelijkheid die vaak nieuwe ideeën hebben. Niet elke opdracht hoef je helemaal voor jezelf te hebben”, denkt een architect van DAT.

En ook BPD heeft al zo gewerkt, zegt een ontwikkelaar in de zaal. “Daarop zijn we juist gaan selecteren. We wilden jonge architecten een kans geven mee te werken aan grotere projecten. Dat is de doelstelling. Wij hebben de keuze aan het architectenbureau gelaten wie ze daarin wilden meenemen,” zegt hij. Een andere professional zegt dat het juist om initiële kwaliteit gaat, en niet om de leeftijd van de architect.

Een stadsbouwmeester

Is het dan niet een idee om een stadsbouwmeester te introduceren die omgevingskwaliteit en architectuurbeleid kan borgen? In ieder geval wel als het aan Thomas Bedaux ligt. “In Groningen heb je een stadsarchitect. Die is er speciaal voor een betere brug tussen de praktijk en de gemeente. De stadsarchitect heeft er daar voor gezorgd dat er heel veel meer kwaliteit is toegepast. Twee jonge architecten hebben daar ook hun ding kunnen doen vanwege die stadsarchitect.”

Flexibeler dan een enkele stadsbouwmeester is misschien wel een stadslab, denkt ontwerper en onderzoeker Ton van der Hagen. “Daarin kunnen professionals samen met professionals van de gemeente denken over de stad. Je kunt met elkaar tot een overzicht van de stad komen, waardoor iedereen zich comfortabeler voelt om ook in die stad aan de slag te gaan. In mijn onderzoek naar de verdichting heb ik gebruik gemaakt van een expertpanel en een burgerpanel; dat was een enorme verrijking in de studie. Ik kan me voorstellen dat je dat in zo’n stadslab opneemt.”

Chantal Gulickx van Triborgh denkt dat die rol vergelijkbaar is met die van kwaliteitsteams, die we in Tilburg al meermaals gezien hebben. “Dat zijn teams die zich hard maken voor een bepaald gebied. In de Piushaven hebben wij daar prima ervaringen mee gehad. Het lijkt mij leuk om erover mee te denken, omdat ik twijfels heb hoe haalbaar het is om architectuurbeleid te ontwikkelen. Natuurlijk is het nodig, maar soms krijg je er ook geneuzel van: welke afvalbakken gaan we hier wegzetten? Er zijn al zoveel regels.”

Het laatste woord is aan wethouder Van der Pol. Die vindt die kwaliteitsteams ook prettig. “Zij zijn in interactie en gebiedsgericht aan de slag. Dat vind ik een goed gegeven. De Omgevingscommissie bewaakt de ondergrens. Dat is wel wat anders dan een lab. Het Atelier Vlaams Bouwmeester in Brussel vind ik een interessant voorbeeld: op een proactieve manier samenwerken met de markt en corporaties. Die dimensie mis ik wel: het doelgericht verkennen van de oplossingen van de toekomst. Dat moeten we gaan opbouwen.”

Met de sleutelposities wil Van der Pol een stapje verder gaan. “We doen het nu al deels. We hebben monumenten aangewezen en we werken met rijksbeschermde dorps- en stadsgezichten. Ik zou niet willen suggereren dat we met een kaart kunnen komenb– dat is misschien een optie – maar ik wijs er wel opbdat een stad als Kopenhagen daar heel zorgvuldig aan heeft gewerkt.

Sleutelposities, voor je weet loopt het van je weg, dat doen we deels al, we hebben monumenten aangewezen, we zijn al op die manier aan het werk, ik heb alleen aangegeven, wat vind je dan plekken die bijzondere aandacht verdienen? Ik vind dat we een stapje verder kunnen gaan, ik zou niet willen suggereren met kaart, maar ik wijs er wel op dat een stad als Kopenhagen daar heel zorgvuldig aan heeft gewerkt. We vinden dat een interessante gedachte. Maar daar zit wel wat nuance op: we gaan nu niet aanwijzen welke plekken in Tilburg bijzondere aandacht verdienen.”

Bij de borrel werd er nog uitgebreid verder gesproken over de onderwerpen die ter tafel zijn gekomen. Geïnteresseerde professionals worden in elk geval uitgenodigd om 27 en 29 juni een inspiratiesessie van de gemeente Tilburg bij te wonen om het thema ‘omgevingskwaliteit’ verder te bespreken en op de kaart te zetten.