Gaat het om de hoogte?
Als eerste opent het gezelschap het gesprek over de typologieën en gebieden: welke soort hoogbouw kun je waar neerzetten? De gemeente Groningen heeft al eerder een hoogbouwvisie op papier gezet waar Tilburg misschien inspiratie uit kan putten. Alhoewel: Ruben Wiersma, stedenbouwkundige bij de gemeente Groningen, vertelt dat Groningen geen hoogbouwstad is. ‘We proberen dat ook niet te zijn. We zeggen vooral: je moet het stedelijk milieu van een locatie beschrijven voordat je kunt zeggen welke intensiteit je wilt gaan realiseren. Het gaat om het accommoderen van het stedelijk leven.’
In de stad zijn er misschien tien gebouwen die de titel hoogbouw dragen en daar komen er misschien nog tien bij, dus het heeft geen zin om voor tien extra torens een zeer uitputtelijke hoogbouwvisie te schrijven. ‘We gaan geen vuistregels voor hoogbouw opschrijven als we niet eerst weten aan welke milieus we willen werken. Ben ik een stad met één centrum of groei ik door naar een stad met meerdere subcentra? Waar kunnen mensen goed zonder auto leven? We hebben vier type milieus uitgewerkt waar we nog geen keuze in hebben gemaakt.’ Aldus Wiersma.
In de gemeente Utrecht vinden ze dat hoogbouw vooral gezien moet worden in de traditie van goede gebouwen, legt stedenbouwkundige Sanneke van Wijk uit. ‘Beleid voor hoge gebouwen is leuk, maar je moet eigenlijk kaders opschrijven voor álle gebouwen. Voor alle projecten in de stad hebben we elf stedenbouwkundigeuitgangspunten omschreven: ze moeten goede plinten hebben, bijvoorbeeld. We hebben nu plekken in de stad aangewezen waar we hoger bouwen en plekken waar we het vooral niet willen doen. Toekomstige hoogbouw is gekoppeld aan huidige of toekomstige knooppunten.’
Dat doet Groningen ook: zij gaan bouwen in de buurt van huidige of toekomstige stations. Rotterdam idem dito, legt stedenbouwkundige Emiel Arends uit. ‘Het is een regel die ik kan uitleggen aan burgers. In een straal van 400 meter rondom een HOV-knooppunt staan we hoogbouw toe, daarbuiten niet. Daar wijken we ook niet vanaf.’ Arends vindt dat te verantwoorden: mensen in de stad gebruiken gemiddeld één keer per week een auto, het grootste deel van de tijd lopen of fietsen ze. ‘En weet wel: hoogbouw is de best gewaardeerde typologie van de stad.’
De stedelijkheid opzoeken waar het kan. Dat is een aanpak die Daan Roggeveen van MORE Architecture ook ziet zitten. ‘In kleinere steden zijn mensen gewend om voor het huis te parkeren. Gestapeld leven is een totaal andere manier van leven. In Tilburg is er een soort krankzinnige luxe dat je een overmaat aan parkeren hebt. Hoogbouw koppelen aan het mobiliteitssysteem is hier een grote gamechanger, denk ik.’
Voor de gemeenschap is ook duidelijk dat woonmilieus héél verleidelijk moeten zijn, verwoordt architecte Do Janne Vermeulen van Team V. ‘Als je wilt dat mensen doorschuiven is het belangrijk dat ze binnen hun eigen wijk kunnen blijven. Dat pleit er niet voor om een heel nieuw milieu te creëren: mensen willen in de buurt van hun buren en hun eigen winkels blijven.’
Desalniettemin is verdichten lastig als je de stedelijke kwaliteit wilt behouden. ‘In de Westelijke Tuinsteden zoals Bos en Lommer ervaren we dat de auto een van de grootste problemen vormt. Als we parkeerplaatsen toevoegen, voegen we ook auto’s toe, maar in de Tuinsteden liggen niet de meest optimale vervoersknooppunten.’ De kaart van Amsterdam is ingewikkeld en dus is kijken op projectniveau misschien te beperkt: het gaat dan over het laadvermogen van het hele gebied en het behouden van de identiteit ervan.
Het toeval waarmee in Tilburg torens ontstaan zijn, heeft ook voor geïsoleerde gebouwen in die omgevingen gezorgd, zegt architect Adriaan Mout van LEVS. Op de Koningswei werkt LEVS aan een woontoren waar het stedelijke milieu wél is meegenomen in het ontwerp. ‘We begonnen daar sky high, maar daarna zijn we steeds lager gegaan en met blokken gaan werken. Ik denk dat dat goed werkt voor de inpassing in de stad. Je creëert een ander milieu, de anonimiteit wordt minder.’
Dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld Westpoint, die in z’n grootsheid helemaal alleen staat en op straatniveau weinig karakter toevoegt. Al is zo’n hoge toren sowieso moeilijk opnieuw te realiseren op een andere plek in de stad, zegt Marc Olthuis. ‘We hebben hier nu eenmaal niet de grondopbrengsten van een stad als Amsterdam of Rotterdam.’
Er zijn echter genoeg argumenten om clustering niet te accepteren. ‘Beleving is heel belangrijk. Hoe hoog een toren is doet er niet zoveel toe. Ik vind al die torens bij belangrijke vervoersknooppunten vreselijk’, zegt Christine de Ruijter van AWG architecten. ‘Als ik denk aan de Zuidas, word ik er niet enthousiast van. Ik vind het juist sterk dat de torens verspreid staan over de stad, dat is ook beter voor de skyline.’