Interview

Rens van de Plas

We moeten veel meer doen dan alleen objecten maken

Omgevingskwaliteit, voor wie?

Een woning staat nooit op zichzelf. Waar die woning staat en hoe de omgeving eruitziet, is volgens ontwerpers en bouwers minstens zo belangrijk. Zes betrokkenen bij de stad verkennen in een gezamenlijk gesprek de basis voor een stevige bouwcultuur. ‘Je kunt niet de ene het gebouw laten bouwen en de andere de stoep laten leggen.’

Panelgesprek met zes Tilburgse stadsmakers onder leiding van Henriëtte Sanders, programmamaker CAST

Caroline Timmermans | directeur-bestuurder WonenBreburg
Edwin Prince | projectmanager Prince Project Management Bureau
Eric Spijkers | projectontwikkelaar Van de Ven bouw en ontwikkeling
Lieke van Gool | bewoner Tilburg en vormgever
Suzy Peeters-Chong | architect Buro013
Ton van der Hagen | ontwerper onderzoeker Archistad.

Goede gebouwen zijn er genoeg in de stad. Voorbeelden van schitterend werk te over, daar is iedereen het wel over eens. Verleggen we onze blik echter naar de plekken waar die gebouwen staan, naar de parken, de straten of de parkeerplaatsen, dan begint het lijstje al wat korter te worden. Prettig wonen is meer dan een appartement of huis alleen. Het is tenslotte ook de ruimte rondom je huis die meebeslist over je woongeluk.

Daar weet Lieke van Gool alles van. Zij ziet bijvoorbeeld dat het Ketelhavenplein bepaalde doelgroepen helemaal niet weet te trekken. Op dat plein zouden een poolcafé en terrasjes komen. Jongeren zouden zich daar thuis moeten kunnen voelen. ‘Nu zitten er een accountantskantoor, een kapper en een gezondheidsplein. Nog steeds is er niets voor de jeugd’, zegt Lieke. Plannen waren er wel, maar de ontwikkeling van bijvoorbeeld een culturele ruimte was voor ontwikkelaars te riskant.

Dienstbaar aan de mens

Het is een van de vele voorbeelden waarbij er te weinig is nagedacht over de omgevingskwaliteit. Die moet bovenal overzichtelijk zijn. ‘Als ik met de hond ga wandelen, weet ik wat de geslaagde plekken zijn. Dat zijn de routes die ik van nature kies. Waar ik zelf niet ga wandelen, daar klopt nog iets niet’, zegt Suzy Chong. De beste plekken zijn uiteindelijk plekken waar je het hele jaar lang van de omgeving kunt genieten. Plekken die in de winter herbergzaam zijn en in de zomer verkoelend.

Een omgeving die dienstbaar is aan de mens, dat is de wens. Tilburg-Noord is bijvoorbeeld erg ruim en groen opgezet, maar er is weinig variatie in woningtypologieën en weinig interactie tussen bebouwing en buitenruimte. Je mist de klik tussen de uitstraling van de buurt en haar multiculturele wijkbewoners. Nu er 5.000 woningen bij moeten komen in de wijk, biedt dat de unieke kans om die verbinding wel te leggen en te bouwen voor de buurt en haar bewoners. ‘We moeten er echt voor zorgen dat Tilburg-Noord een wijk gaat worden die logisch in elkaar steekt, waar je je veilig kunt voelen en waar volop ruimte is voor ontmoeting’, denkt Caroline Timmermans. Pluktuin Stokhasselt is hiervoor een heel mooi geslaagd voorbeeld.

“Daar zit eigenheid in, van woningtype tot openbare ruimte tot ornamenten bij de voordeur”

Grootschalige gebiedsontwikkeling

Iets verder richting het centrum van de stad heeft de wijk Groeseind de belangrijkste veranderingen al achter de rug. Daar is in het hart van de wijk het Sint Pieterspark verrezen. Het is een langgerekt plein met veel groen en speelplekken, omgeven door zachtrode, bakstenen huizen die ook in de achterliggende straten hun gelijken vinden. ‘Daar zit eigenheid in, van woningtype tot openbare ruimte tot ornamenten bij de voordeur. Er is telkens een koppeling tussen de plattegrond en de woning die het is’, zegt Ton van der Hagen. Het is een ware parel in het midden van een oude volksbuurt.

In Groeseind heeft de openbare ruimte ook een boost gekregen. ‘Daar is aandacht geweest voor alles, van de voordeur tot en met het landschap. De architect, de ontwikkelaar en de gemeente moeten alles door hun handen laten gaan zodat ze er in elk geval aandacht aan schenken. Mensen moeten meer doen dan alleen hun eigen object maken’, zegt Ton. ‘Als je dit soort grootschalige gebiedsontwikkelingen doet, dan moet je dat wel doen met partijen die hart hebben voor de stad en genoeg nemen met minder rendement’, denkt Eric Spijkers.

Om de wijk te kunnen veranderen in wat het nu is, moesten er wel wat knopen worden doorgehakt. In Groeseind stonden namelijk altijd veel corporatiewoningen die bouwkundig helemaal op waren en na de herbouw is een mix aan koopwoningen en commerciële en sociale huurwoningen gerealiseerd. Slechts een beperkt percentage van de oorspronkelijke bewoners is in de wijk teruggekeerd. Veelal omdat bewoners hun leven na de herontwikkeling elders hadden opgebouwd, maar ook omdat gericht gestuurd is op een nieuwe mix aan woningen, aldus Caroline. Hiermee is een veel gedifferentieerdere en sterkere buurt ontstaan.

Maatwerk

Het is duidelijk dat elke wijk om zijn eigen aanpak vraagt. Wat er in Groeseind gebeurde, gebeurde in de Vogeltjesbuurt namelijk precies omgekeerd. In die buurt was het tenslotte de bedoeling dat na de renovatie iedereen juist weer kon terugkeren in de wijk. Daar is het stratenpatroon ook gewoon overeind gebleven. Bewoners konden gefaseerd verhuizen en terugkeren en zo bleef de binding met de buurt intact. Welke keuze ontwerpers en bouwers maken is van levensbelang voor het karakter van een wijk. En ja, soms kost die keuze meer geld, maar is dat het dubbel en dwars waard.

Neem het terrein van het welbekende oude zwembad aan de Friezenlaan, waar architect en ontwikkelaar kwaliteit voorop hebben gezet. ‘Daar hebben we niet bezuinigd op materiaal, maar zelfs bijbetaald om mooie nette materialen te krijgen. Die plek ziet er nog steeds uit om door een ringetje te halen’, zegt Eric. De gemeente wilde daar juist goedkope BKK-klinkers en betonnen tegels neerleggen die de omgevingskwaliteit niet ten goede waren gekomen.

In het gebied zijn uiteindelijk grondgebonden woningen en appartementen gebouwd uit de beste materialen. Een geluidsadviseur heeft geholpen om te bepalen hoe de overlast van geluid zoveel mogelijk beperkt blijft. Dat soort zetten hebben buitengewoon voordelig uitgepakt voor de ontwikkelaar, die jarenlang op het project heeft kunnen teren. Het rendement was groter dan het verdiende geld alleen. ‘Het heeft tien jaar lang in onze boekjes gestaan en we hebben er aantoonbaar nieuwe projecten mee binnen kunnen halen’, zegt Eric.

Het loont dus altijd om een stapje extra te zetten. Niet alleen als het om materialen gaat, ook wat de ruimtelijke inrichting betreft. Zo heeft de ontwikkelaar niet alleen de grond voor de gebouwen gekocht, maar ook de omliggende grond verworven. Zo konden de architecten en de ontwikkelaar zelf bepalen hoe het terrein rond de gebouwen eruit kwam te zien. Een soort zwembadje van 25 meter lang met spuitertjes en een bankje landde in het midden van een park. Had de gemeente die grond nog gehad, dan had daar niet meer dan een wipkip gestaan.

“Wat ook al zou helpen is een dosis lef. Van alle partijen, ruim aan het begin van een nieuwe ontwikkeling.”

Lef en toewijding

Dat soort bijzondere projecten lijkt tegenwoordig soms in het gedrang te komen. We vragen erg veel van onze nieuwe gebouwen, straten, parken en pleinen, maar soms is het buitengewoon lastig om alles wat belangrijk is op een paar vierkante meter op te lossen. We willen allemaal een groene omgeving, toegankelijke gebouwen, geluidsdichte muren en veilige straten voor onze kinderen, en die waslijst aan eisen en wensen gaat maar door. Daar moet het gesprek nog nodig over gevoerd worden in de stad. ‘Er zijn plekken waar niet alles kan’, denkt Eric.

Wat ook al zou helpen is een dosis lef. Van alle partijen, ruim aan het begin van een nieuwe ontwikkeling. ‘Alle partijen moeten eigenlijk met de billen bloot. Als je aan de voorkant de belangrijkste uitgangspunten waaraan een ontwikkeling moet voldoen kunt bespreken, dan geeft dat houvast, maar ook tempo in het vervolgproces’, vindt Caroline. Daar kan Suzy zich ook in vinden. ‘Betrokken partijen zijn te bang om vroeg in het proces een uitspraak te doen omdat ze bang zijn dat ze ook aan die uitspraak gehouden worden.’ Ontwerpers, ontwikkelaars, bouwers en beleidsmakers moeten vooral met elkaar in gesprek om de kaders te stellen en elkaar de ruimte bieden om met ideeën te komen.

Rol van de gemeente

Wat dan niet mag ontbreken is een duidelijke visie, ook bij de ambtenarij en de wethouder. Edwin Prince weet als geen ander dat dat soms nog te wensen over laat. Hij heeft aan den lijve ondervonden hoe de gemeente een sterk idee toch laat liggen. Zo heeft Winy Maas van MVRDV een plan neergelegd voor de Reitse Campus, waar de gemeente een grote transformatie voor ogen zag. ‘Daarin was samenhang tussen sportvoorzieningen, daar zijn iconische ontwerpen uit voortgekomen. Het was uit één stuk hout gesneden’, vertelt Edwin.

De gemeente heeft dat plan later losgelaten. Er werd daarna nog maar weinig gesproken over wat de gemeente vervolgens wél wilde op die plek. Op de lange termijn moeten ontwerpers, ontwikkelaars en de gemeente van belangrijke gebieden dus een goede analyse kunnen maken en er samen krachtig kunnen optreden. Dat vraagt om overduidelijke en voortdurende toewijding van een gemeente. Ook als het lastig wordt. Als een kade bij de Piushaven heel populair wordt, is het aan de stad om te zoeken naar méér van dat soort plekjes. Wat er nu te vaak gebeurt, is dat er juist mensen worden weggestuurd.

Gemeenschapszin

Visie en dialoog juichen deze stedenbouwers overvloedig toe. En ook ideologisch willen zij hun stempel drukken op de Tilburgse bouw- en ontwerpcultuur, die volgens hen gericht moet zijn op het scheppen én vasthouden van gemeenschapszin. ‘Hoe je het ook wendt of keert, woningen worden kleiner. Dat betekent dat je bepaalde dingen niet meer binnen je woning doet maar op plekken waar andere mensen zijn’, denkt Ton. ‘Zoals de LocHal. Dat is het perfecte voorbeeld in de stad. Dat werkt gewoon’, vindt Lieke.

Hoop putten ze aan tafel dan ook uit de plannen die er voor het centrum liggen. ‘Als ik vanuit Zorgvlied via de Bredaseweg en langs de Emmapassage een ijsje ga halen op de Heuvel, dan is de hele fietstocht ernaartoe onrustig’, ervaart Edwin. Hopelijk brengt het nieuwe Stadsforum wat rust terug naar de stad. Een groots en open plein, geflankeerd door de schouwburg, de kerk en de gemeente. ‘Als je het mij vraagt, moet je dat ook nog doortrekken naar de Korvelseweg met het Louis Bouwmeesterplein als schakel.’

Samenkomen

Wie aan de stad werkt, moet in elk geval blijven uitproberen. Met interesse in het vak van de ander. Met onverdeelde aandacht voor mooie materialen, voor sterke parken en landschappen, voor alle plekken die we met elkaar moeten delen. Functie boven uiterlijk vertoon, gezellige pleintjes boven zolderkamertjes, naar mensen kijken in plaats van navelstaren.

We moeten hoe dan ook samen werken aan de plekken waar mensen samenkomen, lijkt kortom het slotpleidooi van de panelleden te zijn. Maar het allerliefst gebeurt dat op z’n Tilburgs: met een rauw randje en soms ongepolijst. Een betonnen pad dwars door wadi’s in Koolhoven-Buiten, ijzeren vlonderpaden over de stijlvolle vijver van het Kromhoutpark of het Museumkwartier waarbij elk museum zijn eigen architectonische karakter heeft. Dat zijn bij uitstek omgevingen die dienstbaar zijn aan de mens. Aan de Tilburger, in elk geval. Die is bij contrasten gebaat.

“Wie aan de stad werkt, moet in elk geval blijven uitproberen. Met interesse in het vak van de ander. Met onverdeelde aandacht voor mooie materialen, voor sterke parken en landschappen, voor alle plekken die we met elkaar moeten delen.”